Het mag eenieder duidelijk zijn dat de grote veranderingen in onze maatschappij
gedurende de afgelopen decennia als gevolg van de informatietechnologie niet in
de Nederlandse Grondwet waren voorzien. Bij de erkenning alom van onze huidige
informatiemaatschappij is het niet meer dan logisch dat de Grondwet wordt herzien
om tot een formulering te komen die de grondrechten van burgers ook expliciet
benoemt voor wat betreft (persoons)informatie. Op 8 juli '09 heeft ook de minister
van Binnelandse Zaken en Koningkrijksrelaties dit ingezien en besloot dat er een
'staatscommissie voor de herziening van de Grondwet' wordt ingesteld die o.a. 'de grondrechten in het digitale tijdperk
' zal betrekken in haar werk.
Wij waren dus al enige tijd bezig om met name de grondrechten in de grondwet
dusdanig te (her)formuleren dat deze meer van deze tijd worden en dus expliciet
inclusief informatie gelden. De afgelopen twee jaar hebben we ons volledig op
artikel 10 van de Grondwet geconcentreerd die, naar ons laatste oordeel en tevens
hierbij als advies aan de staatscommissie aangeboden, als volgt zou luiden:
Art. 10. [Eerbiediging persoonlijke levenssfeer]
[Geschiedenis: versie 21
maart 2002; versie 6 april 2006
; versie 15 juli 2008
] • [Jurisprudentie: LJN AA1086; AA4446; AA4808; AE4538]
-1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen,
recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
-2. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen,
recht op eigendom van zijn persoonsinformatie.
-3. De wet stelt regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in
verband met het zelfbeschikkingsrecht over persoonsinformatie.
-4. De wet stelt regels inzake het gebruik van persoonsinformatie door
overheden en personen.
Met onze eigen 'Wet persoonsinformatie' ter vervanging van de 'Wet bescherming
persoonsgegevens' denken we voldoende grondwerk te hebben verricht om snel
aan de slag te gaan om in Nederland een evenwichtige informatiehuishouding te
realiseren.
Ook hebben we vanuit een breder perspectief (dan alleen artikel 10 van de
Grondwet) gekeken naar de mogelijke doorwerking van het iDNA Manifest op
andere Grondwetsartikelen. Onderstaand concept van artikelen 10 t/m 14 is
opgesteld in die 'lijn' en bevat die alternatieve uitwerking en extra zekerheden, en
dus bescherming van de burger:
Art. 10: Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen, recht
op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer.
Art. 11: -1. Ieder heeft, behoudens bij of krachtens de wet te stellen beperkingen,
recht op onaantastbaarheid van zijn lichaam; -2. Ieder heeft onvervreemdbaar recht
op eigendom over zijn persoonsinformatie.
Art. 12: -1. Het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner is
alleen geoorloofd in de gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die
daartoe bij of krachtens de wet zijn aangewezen; -2. Het gebruik van
persoonsinformatie zonder toestemming van de persoon is alleen geoorloofd in de
gevallen bij of krachtens de wet bepaald, door hen die daartoe bij of krachtens de
wet zijn aangewezen; -3. Voor het binnentreden overeenkomstig het eerste lid,
respectievelijk voor het gebruik overeenkomstig het tweede lid zijn voorafgaande
legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden of gebruik vereist,
behoudens bij de wet gestelde uitzonderingen; -4. Aan de bewoner of persoon
wordt zo spoedig mogelijk een schriftelijk verslag van het binnentreden of gebruik
verstrekt. Indien het binnentreden of gebruik in het belang van de nationale
veiligheid of dat van de strafvordering heeft plaatsgevonden, kan volgens bij de wet
te stellen regels de verstrekking van het verslag worden uitgesteld. In de bij de wet
te bepalen gevallen kan de verstrekking achterwege worden gelaten, indien het
belang van de nationale veiligheid zich tegen verstrekking blijvend verzet.
Art. 13: Het geheim van geadresseerde communicatie is onschendbaar, behalve,
in de gevallen bij de wet bepaald, op last van de rechter door of met machtiging
van hen die daartoe bij de wet zijn aangewezen.
Art. 14: -1. Onteigening van onpersoonlijke materiële en immateriële goederen,
respectievelijk beperking van beschikking over persoonsinformatie kan alleen
geschieden in het algemeen belang en tegen vooraf verzekerde
schadeloosstelling, een en ander naar bij of krachtens de wet te stellen
voorschriften; -2. De schadeloosstelling behoeft niet vooraf verzekerd te zijn,
wanneer in geval van nood onverwijld onteigening of beperking geboden is; -3. In
de gevallen bij of krachtens de wet bepaald bestaat recht op schadeloosstelling of
tegemoetkoming in de schade, indien in het algemeen belang eigendom door het
bevoegd gezag wordt vernietigd of onbruikbaar gemaakt of de uitoefening van het
eigendomsrecht wordt beperkt.